ZozoLala 116
februari 2001
In Kraut rekent Peter Pontiac af met zijn
foute vader
Het zijn drukke dagen voor Peter Pontiac (49, pseudoniem van Pollmann). Niet alleen was hij
prominent vertegenwoordiger van de groep tekenaars van het blad 'Tante Leny Presenteert'
waarvan tot voor kort een grote expositie te bezichtigen was in het Rotterdamse kunstcentrum
TENT. Ook werd onlangs zijn nieuwste boek 'Kraut' gepresenteerd. 'Kraut' is een romanlange,
handgeschreven brief aan zijn vader Joop Pollmann, die tijdens de Tweede Wereldoorlog een
enthousiast collaborateur was en midden jaren zeventig onder mysterieuze omstandigheden
verdween. 'Kraut' is een bijzondere zoektocht naar zijn vader waarin Pontiac zijn tekentalenten
koppelt aan een bijzonder persoonlijk verhaal.
Het is een mooie, heldere winterdag in het rustige Bussum, waar Pontiac al jarenlang woont. Met
enig leedvermaak vertelt hij dat hij zijn 'weermuisje' het goed had laten voorspellen op de
voorplaat van het Algemeen Dagblad, waarvoor hij elke dag een tekeningetje bij de
weersvoorspelling maakt, maar dat het onderschrift in de krant regen voorspelde. "Het KNMI
heeft het zo vaak mis. Ik luister altijd naar Radio Noord-Holland. Tegen etenstijd melden ze
wat voor weer het wordt en dan maak ik even snel zo'n muisje." Het weermuisje is al zeven
jaar de enige vaste inkomstenbron van Pontiac, die verder als freelance-illustrator werkzaam is
voor onder andere NRC Handelsblad en jarenlang de artikelen van muziekblad Oor van illustraties
voorzag.
Pontiac vindt Bussum ook niet de meest opwindende stad om te wonen, maar heeft er vrede mee,
ondanks dat er "geen fuck te doen is". Het voordeel van die rust is dat niets hem kan afleiden.
"Ik ben hier in 1984 naartoe gevlucht omdat de ex-man van mijn huidige vrouw dreigde mijn
vingers te breken. Dat was een vrij serieuze dreiging dus verdween ik maar even uit Amsterdam.
Bovendien moest ik opeens voor de drie kinderen van mijn vrouw zorgen. Op het ene moment ben je
nog een junk en plotseling ben je huisvader. Ik kende Bussum al en de oude huizen en het groen
spraken me aan. Ik was ook moe van al die hektiek van de kraakpanden waarin ik jarenlang heb
gewoond. Al die idioten de hele tijd om je heen. Hier huur ik nu voor weinig geld een halve
villa en eigenlijk is Bussum een buitenwijk van Amsterdam."
In zijn atelier beantwoordt Pontiac geduldig en met zachte stem mijn vragen. Op televisie
zullen we hem echter niet snel zien. "Ze wilden me in een talkshow hebben, maar dat zag ik
absoluut niet zitten. Ik heb namelijk last van het Bergkamp-Salingersyndroom (respectievelijk
de voetballer Dennis Bergkamp die vliegangst heeft en de schrijver J.D. Salinger, bekend van
Catcher in the rye, GZ). Bergkamp omdat ik niet kan en Salinger omdat ik niet in zo'n zaal met
publiek wil praten over mijn boek. In een andere vorm, zoals een reportage, zou ik wel op tv
willen verschijnen. Maar in zo'n zaaltje met publiek en dan ook nog over zo'n beladen onderwerp
als mijn vader die fout was in de oorlog... Als Hanneke Groenteman van De Plantage zo'n vraag
zou stellen als 'En Peter, hoe voelt het nu om eens een echt boek gemaakt te hebben?' zou ik
helemaal dichtklappen." Pontiac noemt de overgang van lange tijd in volstrekte eenzaamheid
doorwerken aan het boek en de plotselinge aandacht en publiciteit nu het in de winkels ligt,
"met de blote kont op de markt staan".
Hij kon zolang ongestoord aan het boek werken door een subsidie van het Fonds voor Beeldende
Kunst en Architectuur, waarvan recentelijk ook andere striptekenaars profiteerden, zoals
Barbara Stok en
Guido van Driel. Pontiac kreeg zelfs twee keer
een positieve reactie van het fonds. "Ik kreeg een tip dat ze misschien ook beurzen aan
striptekenaars zouden geven. Formulier aangevraagd en
Lian Ong heeft me toen een kopie gestuurd van
haar aanmeldingsformulier, zodat ik een voorbeeld had. Het ging heel soepel, want ik kreeg
zonder problemen die beurs. Toen het geld na een jaar op was en ik pas op de helft van 'Kraut'
was, dacht ik, what the heck, en probeerde het nog een keer. Tot mijn stomme verbazing lukte
het weer. Ik heb het alleen niet zo verstandig gebruikt. We zijn er iets romiger van gaan leven
en hebben allerlei dingen aangeschaft die we al lang wilden, zoals een kleuren-tv. Tot
afgrijzen van de kinderen hadden we altijd een zwartwit-toestel. Anderen, zoals Guido van
Driel, hebben echt geïnvesteerd met het geld en bijvoorbeeld een documentaire gemaakt. Het
fijnst aan die beurs was dat ik geen opdrachten meer hoefde aan te nemen en fulltime aan het
boek kon werken."
Voor Pontiac stond de afgelopen tijd in het teken van terugblikken, want naast de zes delen van
zijn 'Reviews' waarin hij zijn archief publiceerde (waarvan er nog een moet volgen) en de
zoektocht naar zijn vader, nam hij ook deel aan de expositie rond het jaren zeventig
underground-tijdschrift 'Tante Leny Presenteert', waarvoor hij jarenlang tekende. Hij werd
destijds door zowel Joost Swarte, die toen
het blad 'Modern Papier' uitgaf, als door Evert Geradts, die 'Tante Leny' was begonnen,
gevraagd. "Het was eind jaren zestig en ik woonde toen in een commune in Leiden. Naast de
verkoop van hasj en trips, voorzagen we in ons levensonderhoud door songboeken te maken. We
luisterden naar platen van de Stones en Dylan, schreven de teksten op en bundelden die. Ik
maakte dan de voorplaat. Nadat het eerste boek over de Stones uitkwam kreeg ik brieven van
Swarte en Geradts. Even later meldde ook Willem de Ridder zich, die een illustratie had gezien
die ik voor de Amsterdamse 'headshop' had gemaakt en kon ik ook voor 'Hitweek' aan de slag.
Tijdens de expositie verbaasde ik me er vooral over dat ik destijds zo ongelofelijk klein
tekende. Toen ik al die bladen uit die tijd bij elkaar zag hangen, voelde ik opeens ook met
terugwerkende kracht trots voor die beweging."
Door zijn werk uit die tijd kreeg Pontiac jarenlang het predikaat 'underground-tekenaar'
opgeplakt. Inmiddels vindt hij dat een achterhaalde term. "Ik vond het niet verbazingwekkend
dat ik altijd zo werd genoemd, als je ziet wat ik voor werk heb gemaakt, maar een tekenaar als
Eric Schreurs, die tegenwoordig bij iedereen op het nachtkastje ligt, zou zo in 'Tante Leny'
geplaatst kunnen zijn. Het verschil met mensen als Schreurs en De Kort is dat zij humorstrips
maken en daardoor veel beter verkopen. Ik heb ook wel humor, maar maak geen vette
grappen."
De drukke 'Tante Leny'-tekenstijl, die ook wel 'psychedelisch' wordt genoemd, heeft volgens
Pontiac een praktische oorzaak. "De voorplaten uit die tijd werden allemaal met de hand
gemaakt, omdat er nog geen computers waren. Er was weinig geld en we konden dus geen
vierkleurendruk betalen. We moesten met behulp van rasters vier verschillende platen maken om
toch die kleuren te krijgen. Dat ambachtelijke aspect is tegenwoordig helemaal verdwenen. Nu
knallen ze er met de computer zo een gelikte flyer voor een houseparty uit. De extreme drukte
van de tekeningen is misschien ook te wijten aan de drugs die werden gebruikt. Je geeft het
'exploding mind' weer en je blijft maar tekenen als je stoned bent. In mijn geval heeft dat ook
te maken met 'horror vacui', een angst voor de leegte. Uit onzekerheid metselde ik het papier
altijd helemaal vol. Er zit dan altijd wel een virtuose vondst tussen, waardoor ze je niet
kunnen pakken. Tegenwoordig is dat minder, maar ik verwerk nog steeds veel details in mijn
tekeningen. Blijkbaar wil ik de aandacht van een lezer graag vasthouden, als ik die eenmaal te
pakken heb."
Wanneer en waardoor veranderde je tekenstijl?
"Dat heeft te maken met het medium waarmee ik werk. Vroeger gebruikte ik altijd een
rotringpen en dan ga je vanzelf klein werken. Toen ik met Willem de Ridder en nog wat mensen in
Italië woonde en we allerlei projecten deden, moest ik eens een voorplaat maken voor een
seksblad. Die vrouw moest een enorme haarpartij hebben en dan is een penseel handiger. Vanaf
dat moment heb ik heel lang met penseel gewerkt. Tegenwoordig gebruik ik een ballpoint (houdt
triomfantelijk een doodnormale bic-pen omhoog) omdat het lekker achteloos werkt en de
spontaniteit in de tekening blijft. Dat begon toen ik op vakantie was en ik zin had om te
tekenen. Ik had alleen een ballpoint bij me en toen merkte ik opeens hoe fijn het werkte. Ook
de kleurenillustraties maak ik met dat soort pennen." Pontiac trekt ergens een la open en
haalt er een wanstaltig dikke 'zoveelkleurenpen' uit. "Dan gebruik ik dit soort dildo's die
je bij Bart Smit kunt kopen; deze heeft zelfs ook nog geurtjes. Het is echt een feest om met
dit soort proletarisch materiaal te werken."
B-kunstenaar
Pontiac heeft zichzelf het tekenen aangeleerd. Als klein kind tekende hij al veel, terwijl
andere kinderen buiten speelden. "Ik was niet goed in sport. Als er ploegen werden
samengesteld, werd er gevochten omdat ze mij niet in het team wilden. Ter compensatie deed ik
extra mijn best op tekenen, omdat anderen dat niet konden."
Na de Mulo heeft hij geen officiële kunstopleiding gevolgd. Hij werd afgewezen bij de
Rietveld-academie en op de Vrije Academie in Den Haag hield hij het maar twee maanden vol.
"Daar maakten ze allemaal kunst waar ik niet zoveel van begreep. Ik ging altijd samen met
een vriend naar een leeg lokaal om een jointje te roken en te tekenen. De enige les die we
volgden was 'psychodrama'. Daar dansten dan een paar naakte meisjes, waarvan je een snelle
impressie moest tekenen. Eerlijk gezegd kwam daar nooit zoveel van terecht. Achteraf vind ik
het wel leuk om te kunnen zeggen dat ik autodidact ben."
Als invloeden noemt Pontiac de in zijn stijl duidelijk herkenbare Robert Crumb en Will Eisner,
maar ook Henk Sprenger en Hans Kresse hebben een grote rol gespeeld. Nieuwe tekenaars volgt hij
wel, maar koopt hij mondjesmaat. Eerst wil hij zijn oude boeken terug hebben, die hij is
kwijtgeraakt of ooit heeft verkocht om zijn verslaving te kunnen betalen. "De laatste tijd
heb ik vooral veel oude 'Tante Leny's, een paar 'Zap-comics' en herdrukken van 'EC-comics'
gekocht. Vooral die laatste zijn voor mij de hoge school van de strip. De combinatie van het
ordinaire medium, dat soms ook nog eens slecht getekend is en de literaire pretentie die die
strips hebben, vind ik erg goed werken. Tijdens het inrichten van de 'Tante Leny'-expositie
maakte ik een muurschildering. Een medewerker van TENT vroeg hoe ik het vond om dat te doen. Ik
vertelde hem dat ik het wel interessant vond om als B-kunstenaar zoiets in een A-kunsttempel te
maken. Toen had ik blijkbaar een gevoelige snaar geraakt, want hij bleef er maar over
doorzeuren. Ik vind het juist helemaal niet erg om B-kunstenaar te zijn. Wat is er tenslotte
mooier dan kauwgomplaatjes voor nozems te maken?"
Zo'n opmerking maakt meteen duidelijk waar Pontiacs interesses liggen, namelijk bij de
populaire cultuur. Al decennia-lang houdt hij zich bezig met het portretteren van
popmuzikanten. Eerst voor de songboeken en voor 'Hitweek', toen voor 'Muziek-express' en daarna
ongeveer tien jaar bij muziekblad 'Oor' en hij illustreerde de bundel muziekessays van Roel
Bentz van den Bergs 'De luchtgitaar'. In het humoristische boekje 'Lost in the Lowlands'
vertelt Pontiac hoe hij samen met de bevriende tekenaar
Typex (die tegenwoordig voor 'Oor' tekent) op
dit festival een schilderopdracht voor een platenzaak uitvoerde. In het begin van het boek uit
hij zijn onvrede over het feit dat 'Oor' geen zin had om het werk dat hij voor het blad had
gemaakt te bundelen. "Ik was het boek al aan het lay-outen, maar ze voelden er helemaal
niets voor. Dat vond ik echt jammer, want ik kan het niet allemaal kwijt in de 'Reviews'.
Overigens heb ik niet het gevoel dat Typex mijn baantje heeft ingepikt. Ze waren gewoon
uitgekeken op me en wilden iemand anders. Het spijt me wel dat ik niet meer voor 'Oor' werk,
want ik vind het ontzettend leuk om over popmuziek te tekenen. Mijn houding ten opzichte van
muzikanten is in de loop van de tijd wel veranderd. In de jaren zeventig was ik nog een echte
fan en vond ik het een eer om die tekeningen te maken omdat dat mijn helden waren. Als je ouder
wordt, draag je mensen niet meer op handen. Dan word je invalshoek iets cynischer en neem je
meer afstand."
Antilliaanse ploertendoder
Via de muziekillustraties kwam Pontiac terecht bij de literaire uitgever Podium, voor wie
'Kraut' de eerste strippublicatie is. Voor Podiums geflopte popliteraire tijdschrift 'Payola'
(smeergeld voor diskjockeys) maakte hij een strip over de band 16 Horsepower. Op een borrel
kwam hij daarna een redacteur van Podium tegen, die geïnteresseerd was in Pontiacs voornemen
een boek over zijn vader te maken. Toen Pontiac later een brief kreeg waarin officieel opdracht
werd gegeven voor het boek, ging "de zweep erover" en begon hij hij full-time aan het boek te
werken.
Aan de hand van archiefmateriaal en persoonlijke herinneringen vertelt Pontiac in 'Kraut'
(Engelse equivalent voor 'mof'; het bargoense woord 'krauten' betekent 'er vandoor gaan') het
verhaal van zijn vader Joop Pollmann. Hoe zijn vader opgroeide in een katholiek
middenstandsgezin in Leiden, hoe hij gegrepen werd door de dynamiek van het fascisme en zich
aansloot bij het katholieke Zwart Front en later de NSB en vervolgens voor de nazi's
oorlogscorrespondent werd. Na de oorlog belandt Pollmann als collaborateur in het
interneringskamp Duindorp en heeft hij moeite zijn draai weer te vinden. Hij krijgt vijf
kinderen, wordt journalist voor 'Libelle' (columnist Ans Brinkers) en 'Story', maar door
manische depressiviteit en alcoholisme gaat het mis. Na de scheiding heeft hij nauwelijks nog
contact met zijn kinderen en in 1978 is hij hoogstwaarschijnlijk verdronken op Curaçao.
Hoogstwaarschijnlijk, want zijn verdwijning is nooit helemaal opgehelderd, maar alle
aanwijzingen duiden in die richting.
Pontiac begint het boek, dat geheel in de vorm van een brief is geschreven, met een schets van
het einde van zijn vader en eindigt met een aantal mogelijke alternatieve scenario's. Pontiac
heeft menig archief doorgespit om gegevens te controleren en onderzoek te doen, en gebruikt
veel materiaal uit een koffer die hij al jarenlang in bezit heeft. Uit die koffer viste hij
onder andere jeugdtekeningen en gedichten van zijn vader op, waardoor een bijna compleet beeld
ontstaat hoe Pollmanns leven zich in deze richting heeft kunnen ontwikkelen. Een ding heeft
Pontiac echter bewust nagelaten en dat is een onderzoek op Curaçao.
"Ik heb het overwogen, maar ben uiteindelijk niet gegaan om een paar redenen. Ten eerste is
het best mogelijk dat hij, zoals ik suggereer, echt vermoord is. Als ik daar dan ga rondneuzen
en allerlei mensen vragen ga stellen, heb je kans dat ik ook zo'n Antilliaanse ploertendoder in
mijn nek krijg. (lachend) Daar had ik geen zin in. Een andere reden is dat ik al zoveel
materiaal had verzameld en ik bang was dat de Curaçao-periode een te grote rol zou gaan spelen.
Ik vind het ook leuk om dingen door het filter van mijn fantasie te vertellen. Ik heb een keer
een strip gemaakt over Parijs en toen heb ik ook op mijn herinneringen vertrouwd. Dan heb ik
liever een beetje een knullig Parijs straatbeeld, dat dan wel mijn straatbeeld is, dan een
perfect gedocumenteerde tekening. Dat vind ik niet interessant en er zijn genoeg tekenaars die
dat goed doen. Mensen zeggen vaak tegen me dat ik geen auto's kan tekenen. Dan zeg ik: 'als je
goede auto's wil hebben, moet je Michel Vaillant lezen'. Ik ben gewoon niet geïnteresseerd in
exacte weergave van dingen. Het gaat mij om het gevoel en de ziel van iets."
Nozems
Uit 'Kraut' komt een beeld naar voren van zijn vader als een volbloed fascist die ook na de
oorlog zijn lesje niet heeft geleerd. Hij blijft Duits-georiënteerd, praat nooit over de oorlog
en doorspekt zijn conversatie met dubieuze opmerkingen. Pontiac heeft als tiener altijd ruzie
gehad met zijn vader en nadat hij op achttienjarige leeftijd het huis uitging is er nauwelijks
sprake geweest van contact. Het moet dan extra pijnlijk voor hem zijn geweest om overeenkomsten
te ontdekken met zijn vader. "Ik ben natuurlijk zijn zoon, dus zijn er eigenschappen die we
delen. Wat me opviel was zijn artikel voor het Zwart Frontblad 'De Weg'. Daarin fulmineert hij
tegen jongelui die nergens anders voor warmlopen dan 'kitschfilms en vlotte dancings'. Opeens
drong het tot me door dat ik me ook in dit soort termen heb uitgelaten. Mijn broer Joost heeft
ooit voor 'De Waarheid' een serie interviews gedaan met kunstenaars en hij had er nog een
nodig. Toen heeft hij mij geïnterviewd, maar niet verteld dat we broers waren. In die tijd
regeerde de ernst in mijn hoofd en de titel van het stuk luidde: 'Ik weiger nog langer mijn pen
ten dienste te stellen van het najagen van genot'. Een ontzettend schijnheilige opmerking en er
zit hetzelfde brallerige toontje in van mijn vader. Misschien heb ik wel een beetje dezelfde
kanselneigingen als hij."
Een andere parallel die Pontiac in het boek trekt is die tussen de opstandigheid van zijn vader
en de rebellie van de tegencultuur van nozems of punks. "Ik probeerde me voor te stellen hoe
cool mijn vader zich gevoeld zou hebben in zijn stoere nazi-uniform, want dat was toen nog een
daad van anti-establishment. Ik vergelijk hem dan wel met nozems, maar ik zeg er tegelijkertijd
bij dat nozems nooit bevolkingsgroepen hebben uitgemoord."
Vaak hoorde je de smoes dat mensen 'niets afwisten' van de jodenvervolging en zich als een
willoos dier hebben laten meeslepen door de gebeurtenissen. Met het tekenen van zijn vader die
met Kuifje en Suske aan tafel overlegt hoe ze het best de propaganda kunnen aanpakken, deelt
Pontiac daarom een subtiele, maar stevige sneer uit aan twee overbekende 'onwetende' collega's.
Hoe zat dat eigenlijk met zijn vader?
"Op een gegeven moment waren de Duitsers het gekissebis tussen Zwart Front en de NSB zat en
hebben ze de eerste verboden. Mijn vader wilde toch graag mee in de strijd en hij sloot zich
aan bij de NSB. In de brief die hij toen aan de NSB schreef uit hij een paar kritiekpunten. Hij
verwijt ze onder andere inconsequent en slap gedrag ten opzichte van het antisemitisme, omdat
aanvankelijk ook joden lid konden worden. Dan weet je dat hij absoluut niet onschuldig is
geweest. Daarom heb ik ook die briefvorm zo strak volgehouden; ik neem hem dit soort dingen
kwalijk en dat wil ik rechtstreeks tegen hem zeggen. Het is niet alleen een literaire vorm.
Dat er iets vreselijks met de joden zou gaan gebeuren, was tot mijn verbazing al heel vroeg
bekend. In een Engels boek vol antisemitistische Duitse gruwelverhalen, 'The yellow spot' uit
1934 staat een verhaal over de Duits-joodse, anarchistische dichter Erich Mühsam en hoe die
gemarteld is. De Engelsen wisten dus het dus toen al. Dat beeld van Mühsam liet me niet los en
dat heb ik gebruikt als symbool om de hele jodenvervolging in samen te bundelen. Aanvankelijk
koesterde ik het plan om het boek te laten eindigen met een in lompen gehulde Mühsam die mijn
vader zou wurgen in de Daaibooibaai, maar Frits
Jonker, die ik het boek liet lezen, smeekte me dat niet te doen omdat het veel te
pathetisch was."
Parkietje
Na de honderd pagina's lange inleiding over hoe zijn vader van baby tot fascistische twintiger
opgroeide, begint de oorlog. Het spreekt voor zich dat zijn vader in zijn nopjes was met de
Duitse overheersing en zo snel mogelijk dienst nam in het leger van de bezetter. Hij wordt in
1943 oorlogscorrespondent en leidt gedurende twee jaar een bijzonder avontuurlijk leven.
Pontiac heeft er bewust voor gekozen dit element tot een minimum te beperken, omdat hij geen
'Triumph des Willens' (propagandafilm van Leni Riefenstahl waarin de nazi-symboliek
verheerlijkt werd) wilde maken voor zijn vader.
"Die oorlogstijd heb ik zo snel mogelijk er doorheen gejaagd, als een mitrailleurvuur. Ik
wilde zijn avonturen niet glorifiëren met mooie panoramische tekeningen. Romantisering moest
absoluut voorkomen worden. Ik noem het zelf 'mit Siebenmeilsstiefel den Krieg entdurch' in mijn
'Ersatzgerman'. Dat werkt toch erg goed, want het leest nu zoals het ook voor hem moet zijn
geweest: een waanzinnig hectische tijd waarin hij veel heeft meegemaakt. Waarschijnlijk heeft
hij zijn hele leven op die twee jaar teruggekeken met het idee: 'dat heb ik allemaal
meegemaakt'. Daarna viel hij in een ontzettend gat en daarom heb ik ook het verteltempo een
stuk lager gemaakt en zit die paginagrote tekening in het boek waarin hij in de cel zit. Dat
moet opeens een oorverdovende stilte zijn geweest."
De mogelijkheid dat zijn vader niet is omgekomen op de Antillen houdt Pontiac met flink wat
reserves open in een van zijn scenario's. Wil hij eigenlijk echt dat zijn vader dan deze brief
zou lezen?
"Ja, maar dan wil ik niet in dezelfde kamer zitten als hij het gaat lezen. Als ik een brief
terug kreeg zou ik behoorlijk schrikken. Mijn broer is van mening dat mijn vader het boek
geweldig zou vinden. Er is ook iets raars met het boek aan de hand, want het zetduiveltje heeft
op een merkwaardige, bijna voodoo-achtige manier toegeslagen. Op het silhouet voorin het boek
is een stukje papier gevallen, waardoor het net lijkt alsof mijn vader het puntje van zijn tong
uitsteekt; lekker pub! Daar schrok ik van, want waarom nu precies op dat plekje?"
Na al het werk dat hij in 'Kraut' heeft gestoken is Pontiac dik tevreden met het resultaat. Hij
noemt het boek een 'echte biefstuk die je op tafel legt en geen boekie'. "Het is een
loodzwaar boek geworden, al heb ik het verluchtigd met een paar grapjes. Daarom wil ik ook niet
naar de televisiestudio, het is gewoon te zwaar. Als het nu over mijn dode parkietje zou gaan.
Een tijd geleden had ik eigenlijk een Pincet-boekje moeten maken, maar na lang smeken kreeg ik
uitstel. Ik vind het hartstikke jammer dat die reeks inmiddels afgelopen is, want ik had al een
verhaal bedacht over mijn parkietje. De dochter van mijn vrouw kreeg een baby en toen moest dat
vogeltje weg. Ik nam hem in huis en hij heeft hier zeven jaar lang vrolijk rondgevlogen. Ik had
een ontzettend goed contact met dat beestje; spelen, lachen. Dat vogeltje is dus onlangs
overleden. (lachend:) Ik had graag een boekje over zijn leven willen maken, naar
analogie van mijn vader."
Gerard Zeegers
© ZozoLala (2001)
Henk Schouten / StripSter
01-02-2001